Onderzoekslijnen elleboog

Naast de enorme aantallen knie- en heupprotheses worden bij het Amphia ook relatief veel elleboog protheses geplaatst. Eén van de grote speerpunten in het orthopedische onderzoek bij het Amphia is onderzoek naar de elleboog en onderarm. Met name prof. Denise Eygendaal en dr. Bertram The hebben hier een meer dan belangrijk aandeel in. Zij zijn dé experts op het gebied van de elleboog. Graag lichten we hier 3 gebieden uit waarop actief onderzoek plaatsvindt.

  • Eén belangrijke onderzoekslijn is onderzoek naar Osteochondritis dissecans (OCD). Dit is een aandoening waarbij een fragment kraakbeen samen met het eronder gelegen bot loslaat van het gewrichtsoppervlak. We zien het vooral bij jonge sporters op hoog niveau. We hebben aangetoond dat een 3D-CT bruikbaar is bij het bepalen van de grootte en locatie van de OCD. Arthroscopische debridement en microfracture van het gebied leidt tot goede resultaten, met name bij patiënten met een open groeischijf, bij het verwijderen van losse fragmenten en bij patiënten waarbij de OCD niet al langere tijd bestaat. Slechts 62% is na de behandeling in staat hun preoperatieve tak van sport te hervatten. Deze behandeling bij patiënten met een vergevorderd OCD stadium laat tevens een duidelijke verkleining van het OCD gebied zien. Onderzoek in deze lijnen wordt voortgezet, waarbij een deel van de focus ook zal liggen op preventie van het ontstaan van OCD.
  • Een andere belangrijke onderzoekslijn is de elleboogsprothesiologie. Zowel onderzoeken naar de totale elleboogsprothese als de radiuskopprothese en revisies van elleboogprothesiologie zijn onderwerp van onderzoek. Binnen de totale elleboogsprothesiologie hebben we onderzoek gedaan naar de resultaten na een operatie an sich, maar ook naar het snel herstel en de rol van immobiliseren bij de revalidatie. Wat het immobiliseren betreft weten we dat het gebruik van gips na de operatie overbodig is. Ook bij revisies na totale elleboogsprothesiologie en radiuskopprotheses hebben we de uitkomsten in kaart gebracht. Bij revisie-ingrepen verbetert de elleboogfunctie en wordt de pijn gereduceerd. Uiteindelijk is 87% tevreden met het resultaat. Bij revisies van de radiuskopprotheses lag dit percentage op 94%. We hebben ook uitgezocht of het pre-operatieve templaten nodig is bij plaatsing van TEP. Dit bleek uit het onderzoek geen toegevoegde waarde te hebben. Verder is adhv biomechanische testen in kadavers de toegepaste benadering voor de operatie onder de loep genomen in samenwerking met Flinders University in Australië. De resultaten hiervan volgen komend jaar.
  • Een derde onderzoekslijn die we hier uitlichten is epicondylitis lateralis, beter bekend als de tenniselleboog. Meestal is de pees van de extensor carpi radialis brevis aangedaan. Met behulp van kadavers hebben we aangetoond dat het manueel injecteren in de pees lastig is. Slechts 1/3 van de injecties werd exact in de pees geplaatst. In een andere studie is met behulp van echografie dan ook aangetoond dat de pees op verschillende diepten kan liggen. Echografie hanteren tijdens het injecteren kan daarbij uitkomst bieden. Ook het te injecteren middel ligt zwaar ter discussie. Corticosteroiden zouden averechts werken. Momenteel loopt er een studie naar het injecteren van verschillende middelen (autoloog bloed, dextrose of alleen aanprikken) op een standaard wijze. Resultaten daarvan laten nog even op zich wachten.

Benieuwd wat voor onderzoek we de laatste jaren op het gebied van de elleboog gepubliceerd hebben…kijk dan op de startpagina van FORCE onder het kopje “publicaties”.